Ik droom al meer dan tien jaar hetzelfde huis.
Geen spookhuis trouwens. Al dacht ik dat de eerste keer wel.
Ik werd huilend wakker, badend in het zweet en schrok me werkelijk helemaal de pleuris. Achteraf moet ik daar eigenlijk altijd een beetje om lachen, want als ik vertel waar ik zo bang voor was, denk je waarschijnlijk: Tamaar… serieus? Dáár?
Want het was gewoon een huis.
Nou ja… een soort huis.
Ik ken het helemaal niet. Ik ben er nog nooit geweest. En toch voelt het iedere keer alsof ik er mijn hele leven woon. Dat vind ik misschien nog wel het vreemdste van de hele droom.
En dan gebeurt er iets geks.
Ik loop gewoon door mijn huis en opeens zit daar links een deur. Alsof die er altijd al heeft gezeten. Ik doe hem open en daar ligt een lange gang. Aan beide kanten allemaal kamers. Oude kamers. Achtergelaten spullen. Niet eng. Niet vies. Gewoon ruimtes waar ooit iets mee gedaan is en daarna nooit meer.
Het gekke is dat ik dan helemaal niet denk: Wat een vreemde droom.
Nee.
Mijn eerste gedachte is altijd:
Waarom gebruiken we dit eigenlijk niet?
Alsof ik het de normaalste zaak van de wereld vind dat er ineens een compleet extra stuk huis naast mijn eigen huis blijkt te zitten.
Ik loop van kamer naar kamer en zie overal spullen staan waarvan ik denk: Dat kunnen we eigenlijk best nog gebruiken. En voor ik het weet ben ik alles in mijn hoofd alweer aan het verplaatsen. Dat kastje kan ergens anders. Die stoel zou daar leuk staan. En waarom zitten wij eigenlijk steeds in hetzelfde stukje van het huis, terwijl hier zóveel ruimte is?
En toch doe ik er helemaal niets mee.
Blijkbaar kom ik al meer dan tien jaar af en toe even langs in mijn eigen droom om een verbouwplan te maken.
“Ja hoor… daar moeten we echt eens iets mee.”
En vervolgens loop ik weer weg.
Heel productief, Tamara.
Als ik verder loop, kom ik in mijn favoriete ruimte van het hele huis.
Ik heb eigenlijk geen idee wat het precies is. Het heeft twee verdiepingen, overal staan meubels, er zijn gezellige hoekjes, een keuken, een zithoek… en boven lijkt het bijna alsof ik door een woonwinkel loop. Ik kijk werkelijk mijn ogen uit.
En iedere keer denk ik weer precies hetzelfde.
Dat zou perfect passen in die kamers beneden.
Ik zie het helemaal voor me.
En daarna…
doe ik weer niets.
Grappig eigenlijk.
Zelfs in mijn dromen ben ik beter in plannen maken dan in beginnen.
Totdat ik bij de laatste trap kom.
Dat is de trap.
Bovenaan is een houten deur.
En eerlijk?
Die deur slaat eigenlijk helemaal nergens op.
Geen slot.
Geen rare geluiden.
Geen monsters.
Niets.
Als ik hem open, zie ik gewoon een lange ruimte met aan beide kanten rekken vol spullen.
Meer niet.
En toch…
hangt daar iets.
Ik weet nog precies hoe ik me de eerste keer voelde.
Niet mijn hoofd werd bang.
Mijn hele lijf.
Alsof alles in mij tegelijk riep:
Weg hier. Nu.
Ik gooide de deur dicht.
Ik rende weg.
En ik werd huilend wakker.
Sindsdien kom ik nog steeds in dat huis.
Ik loop nog steeds door die gang.
Ik kijk nog steeds in al die kamers.
Ik geniet nog steeds van die prachtige ruimte.
Maar zodra ik bij die laatste trap kom, draai ik me om.
“Nou… vandaag even niet.”
En het gekke is…
Normaal analyseer ik echt álles.
Vraag het maar aan Eric.
Ik kan werkelijk overal een theorie over bedenken. Waarom iemand iets zegt. Waarom iets me raakt. Waarom ik ergens van wakker lig. Mijn hoofd vindt overal wel iets van.
Maar deze droom?
Nee hoor.
Die liet ik gewoon met rust.
Ik dacht alleen:
Weet je… laat maar.
Ik woon hier prima.
Dat opruimen kost me veel te veel moeite.
Die spullen lopen niet weg.
Laat het maar lekker staan.
En zo liep ik al die jaren gewoon weer terug.
Tot de volgende keer.
En de volgende.
En de volgende.
Maar diep vanbinnen bleef er altijd één vraag hangen.
Waarom ben ik eigenlijk zó bang voor die deur?
En misschien nog wel een vraag die ik veel interessanter vind…
Waarom vond ik het zo makkelijk om steeds tegen mezelf te zeggen: laat maar?
Totdat ik die droom op een dag toch eens serieus nam.
Niet omdat iemand mij vertelde wat hij betekende. Ook niet omdat ik een boek had gelezen over dromen. Gewoon omdat ik nieuwsgierig werd.
Niet naar die deur.
Maar naar mezelf.
En eerlijk? Dat is misschien wel het grootste verschil met vroeger.
Vroeger wilde ik begrijpen wat een droom betekende.
Nu werd ik nieuwsgierig naar waarom ík steeds hetzelfde deed.
Ik liep wel door die gang.
Ik keek wel in die kamers.
Ik genoot wel van die prachtige ruimte.
Maar zodra ik bij die laatste trap kwam, draaide ik me om.
Iedere keer weer.
En ineens dacht ik:
Wacht eens even…
Waarom eigenlijk?
Niet:
Waar ben ik bang voor?
Maar:
Waarom besluit ik iedere keer zo makkelijk dat ik daar niet hoef te zijn?
Dat vond ik eigenlijk een veel interessantere vraag.
Misschien ging die droom helemaal niet over een huis.
Misschien ook niet over een enge deur.
Misschien ging hij over alle dingen die ik jarenlang voor me uit had geschoven. Niet omdat ik ze niet belangrijk vond, maar omdat het leven er steeds tussendoor kwam.
Mijn jeugd.
Relaties.
Kinderen.
Werk.
Mantelzorg.
Mijn moeder.
Borstkanker.
Steeds was er wel iets dat harder riep dan ikzelf.
Achteraf vraag ik me af of ik daardoor nooit echt heb gezien hoeveel ruimte er eigenlijk óók nog in mezelf zat.
Want dat is misschien wel het mooiste aan die droom.
Die kamers stonden er al die tijd al.
Ik had alleen nooit bedacht dat ze misschien ook van mij waren.
Sinds ik die droom anders ben gaan bekijken, is er eigenlijk nog iets veranderd.
Niet de droom.
Ik.
Vroeger hoopte ik stiekem dat ik dat huis niet meer zou dromen. Dat ik er gewoon nooit meer terecht zou komen. Probleem opgelost.
Maar tegenwoordig is het precies andersom.
Nu hoop ik juist dat ik er weer ben als ik mijn ogen dichtdoe.
Dat klinkt eigenlijk best vreemd als je bedenkt hoe bang ik ooit voor die laatste trap was.
Maar ik wil terug.
Ik wil weer door die gang lopen. Ik wil opnieuw zien wat er allemaal in die kamers staat. Ik wil weer dwalen door die prachtige ruimte waar ik iedere keer opnieuw mijn ogen uitkijk. En ja… ik wil zelfs weer voor die houten deur staan.
Niet omdat ik ineens nergens meer bang voor ben.
Maar omdat ik nieuwsgieriger ben geworden dan bang.
En eerlijk?
Dat had ik een paar jaar geleden echt niet gedacht.
Het is me trouwens nog niet gelukt.
Of misschien wel, en ben ik wakker geworden voordat ik verder kon. Dat weet ik eigenlijk niet.
Maar ik merk wel dat ik die deur niet meer uit de weg wil.
Sterker nog…
Ik hoop dat ik hem ooit weer tegenkom.
Niet om eindelijk te bewijzen dat ik gelijk had.
Ook niet om antwoord te krijgen op al mijn vragen.
Maar gewoon… om te kijken wat er gebeurt als ik deze keer niet wegloop.
Misschien sta ik straks weer boven aan die trap.
Misschien leg ik mijn hand opnieuw op die deurklink.
En misschien doe ik hem weer open.
Misschien ren ik alsnog weg.
Misschien ook niet.
En weet je?
Voor het eerst maakt dat me eigenlijk niet zoveel meer uit.
Vroeger wilde ik overal een antwoord op.
Nu merk ik dat sommige vragen ook gewoon even mogen blijven bestaan.
Dat voelt eerlijk gezegd best rustig.
Misschien omdat ik mezelf niet meer voortdurend hoef te bewijzen.
Niet tegenover anderen.
Maar ook niet tegenover mezelf.
Misschien ga ik ooit weer die trap op.
Misschien niet vannacht.
Misschien ook niet volgende week.
Maar ik weet inmiddels wel één ding.
Ik loop er niet meer voor weg.
En dat had ik tien jaar geleden nooit durven zeggen.
Misschien stond daar al die tijd helemaal niets om bang voor te zijn.
Misschien stond daar al die tijd gewoon een stukje van mezelf op me te wachten.