De onzichtbare rugzak
Het gekke aan herstel is dat mensen op een gegeven moment denken dat alles weer normaal is.
Je haar groeit terug.
Je lacht weer hardop.
Je maakt plannen.
Je staat in de keuken uitgebreid te koken alsof je auditie doet voor een culinair programma.
En ergens klopt dat ook.
Maar wat bijna niemand ziet…
is wat je ondertussen allemaal met je meedraagt.
Die onzichtbare rugzak.
Die onzichtbare rugzak voel ik misschien nog wel het sterkst rondom werk.
Ik heb heel lang geprobeerd mezelf ervan te overtuigen dat ik gewoon weer door moest en zou kunnen gaan zoals vroeger. Dat ik sterk moest zijn, positief moest blijven en mijn ritme wel weer zou terugvinden.
Maar herstel laat zich niet dwingen.
Soms merk je pas hoe zwaar iets eigenlijk nog is wanneer je probeert terug te stappen in het ‘normale’ leven. En eerlijk? Dat besef vond ik moeilijker dan ik vooraf had verwacht.
Of op onverwachte momenten, zoals laatst tijdens het concert van Suzan & Freek, toen Freek begon te praten over zijn kanker. Bam. Dan voel ik ineens weer hoe dichtbij alles eigenlijk nog zit.
Dat zijn van die momenten waarop je vanbinnen compleet wordt teruggeslingerd, terwijl de buitenwereld daar niets van merkt.
En dat is misschien nog wel het vreemdste van alles.
Mensen zeggen vaak:
“Maar je ziet er goed uit joh.”
“Het komt allemaal wel goed.”
Lief bedoeld. Echt waar.
Maar soms wil ik op dat soort momenten het liefst langzaam door de grond zakken.
Omdat goed eruitzien niet automatisch betekent dat het vanbinnen ook altijd goed voelt.
Dus doe ik vaak wat ik altijd doe:
gewoon vrolijk doorgaan.
Lachen.
Druk praten.
Grapjes maken.
Mezelf bezighouden.
Niet eens bewust om dingen weg te stoppen, maar ook omdat ik andere mensen niet voortdurend wil belasten met wat er zich in mijn hoofd afspeelt. Al lukt dat natuurlijk niet altijd.
En toch kan die eenzaamheid op de gekste momenten ineens binnenkomen.
Mijn hoofd en emoties reageren soms op de vreemdste prikkels. Een gesprek. Een liedje. Een blik. Een reclame op tv. En ineens voel ik me totaal niet gezien of gehoord, terwijl er gewoon mensen om me heen zijn.
Dat stuk vind ik misschien nog wel het moeilijkst uit te leggen.
Net als bepaalde opmerkingen die mensen zeggen omdat ze niet weten wat ze anders moeten zeggen.
“Je bent er tenminste nog.”
“Het had erger gekund.”
En ergens weet ik heus wel dat mensen het lief bedoelen.
Maar sommige zinnen landen gewoon keihard verkeerd wanneer je zelf degene bent die ermee moet leven.
Vooral rondom controles merk ik hoeveel impact alles nog steeds heeft.
De dagen ervoor word ik onrustig.
Bang.
Mijn hoofd vult zich automatisch met doemscenario’s. Soms word ik er heel druk van, alsof ik mezelf bezig moet houden om niet te verdrinken in mijn gedachten. En andere keren klap ik juist helemaal dicht en voel ik me stil, somber en leeg.
Het is vermoeiend hoeveel energie angst kan vreten terwijl niemand het aan de buitenkant ziet.
En misschien is dát wel wat kanker het meest met mij heeft gedaan:
het heeft mijn kijk op mensen veranderd.
Ik heb opnieuw ontdekt dat het uiteindelijk niet uitmaakt hoeveel je van jezelf geeft of hoeveel je voor anderen doet. Sommige mensen zetten je alsnog aan de kant zodra jouw verhaal te ingewikkeld, te zwaar of te confronterend wordt.
Zonder namen te noemen heb ik absoluut ontdekt:
wie mij energie kost,
wie oppervlakkig bleef,
wie verdween,
maar vooral ook:
wie mij rust geeft.
En eerlijk?
Dat inzicht was soms pijnlijk.
Maar ook nodig.
Want tegelijkertijd ben ik juist zachter geworden voor mezelf.
De druk om weer ‘de oude Tamara’ te zijn wordt steeds kleiner. Ik merk juist dat ik langzaam een ander mens aan het worden ben. Niet negatiever. Niet verbitterd. Eerder rustiger. Bewuster.
Ik droeg eigenlijk al mijn hele leven van alles met me mee en dacht altijd dat ik overal wel mee kon dealen. En ergens kan ik dat ook best. Maar kanker, samen met het schrijven, heeft me uiteindelijk gevormd tot wie ik nu ben. En hoe stom dat misschien ook klinkt na alles wat er is gebeurd… misschien ben ik uiteindelijk wel een betere versie van mezelf geworden.
Rustiger.
Bewuster.
Zachter voor mezelf.
Alsof ik eindelijk ben gestopt met alleen maar overleven en voor het eerst écht ben gaan voelen wat ik zelf nodig heb.
Ik kies steeds vaker voor mezelf in plaats van altijd maar anderen te pleasen om gezien of geliefd te worden.
En dat voelt voor mij niet egoïstisch.
Eerder alsof er eindelijk een gezondere balans ontstaat tussen zorgen voor anderen en óók goed zorgen voor mezelf.
Ik heb nog steeds — misschien zelfs meer dan ooit — de behoefte om iets voor een ander te betekenen. Maar nu komt het vanuit oprechtheid en rust, niet meer vanuit de angst om vergeten te worden.
De kleine dingen zijn uiteindelijk ook de dingen die mij overeind houden.
Mijn dierbaren.
Mijn diertjes.
Schrijven.
Koken.
Wandelen.
Diepe gesprekken.
Rustige muziek.
Reizen.
Gewoon momenten waarop mijn hoofd even zachter wordt.
En ergens denk ik dat dát de onzichtbare rugzak uiteindelijk ook is.
Niet alleen de angst.
Niet alleen het verdriet.
Maar vooral het constante meedragen van iets wat bijna niemand volledig kan zien, terwijl je ondertussen wel gewoon probeert te leven.
En eerlijk?
Soms doe ik dat verdomd goed.
En soms ben ik gewoon moe van het dragen.
En misschien mogen allebei die dingen er gewoon zijn. 🤍