We zijn inmiddels dik over de helft van onze vakantie.
En eerlijk?
Als je mij een paar weken geleden had verteld dat ik hier nu zou zitten, ergens in India, dan had ik je waarschijnlijk uitgelachen.
Niet omdat ik niet wilde.
Maar omdat ik serieus twijfelde of we überhaupt zouden kunnen vertrekken.
Mijn lijf had namelijk andere plannen.
Mijn rechterhand leek op een rookworst. Mijn wijsvinger was zo dik dat buigen nauwelijks meer lukte. Een vork vasthouden was al een uitdaging, laat staan iets snijden. En alsof dat nog niet genoeg was, besloot tijdens de vlucht ook mijn linkerhand gezellig mee te doen.
Wat een ellende.
Ik heb werkelijk liters tranen geproduceerd.
Arme Eric.
Die heeft de afgelopen weken meer geduld laten zien dan sommige mensen in een heel huwelijk bij elkaar krijgen.
Ik had pijn. Veel pijn.
En eerlijk is eerlijk, ik was ook gewoon bang. Bang dat we niet weg konden.
Bang dat deze vakantie, waar we zo naar hadden uitgekeken, niet door zou gaan.
Naast alle fysieke klachten droeg ik trouwens nog wat andere bagage mee die niet in een koffer paste.
Dingen die thuis waren gebeurd. Teleurstellingen. Verdriet. Het besef dat sommige mensen anders blijken te zijn wanneer het leven ingewikkeld wordt. Ik heb daar de afgelopen maanden behoorlijk mee geworsteld en misschien schrijf ik daar ooit nog wel eens over. Maar niet nu.
Dit verhaal gaat over iets anders.
Over pijn, liefde en paradijs. Over een lijf dat niet meewerkte. Over een hoofd dat soms overuren draaide. En over een vakantie die me, ondanks alles, precies gaf wat ik op dat moment nodig had.
Onze reis begon in Oman. Eigenlijk was dat alleen bedoeld als overstap, maar we besloten er drie dagen aan vast te plakken. Achteraf een van de beste beslissingen van de hele reis.
Wat een fijn land. Schoon. Rustig. Ontzettend vriendelijke mensen. Het voelde meteen prettig.
En ondanks alle pijn hebben we daar prachtige dagen gehad. Dagen waarop ik af en toe zelfs vergat hoeveel pijn ik had.
Daarna reisden we door naar India.
En daar stond iets op ons programma wat al jaren op ons verlanglijstje stond. Een safari in Ranthambore National Park.
En daar gebeurde het. We zagen zes tijgers. Zes!
Nog steeds kan ik er niet helemaal bij.
Zo’n dier in het wild zien is echt iets anders dan in een dierentuin. Het is indrukwekkend, ontroerend en bijna onwerkelijk tegelijk.
Ik zat daar in onze jeep, midden in India, naar zo’n prachtige tijger te kijken en ineens voelde alles even heel klein en heel groot tegelijk.
Het was zó mooi dat ik oprecht even het gevoel had dat ik in het paradijs terecht was gekomen.
En misschien klinkt dat gek, maar op zulke momenten denk ik automatisch aan de mensen die er niet meer zijn.
Aan mijn moeder. Aan mijn opa en oma. Aan alle dierbaren die je onderweg bent kwijtgeraakt. Ik hoopte bijna dat ze ergens mee konden kijken. Dat ze konden zien wat wij zagen. Dat ze dit prachtige moment misschien van bovenaf een beetje konden meebeleven.
Want sommige ervaringen zijn zo bijzonder dat je ze eigenlijk met iedereen wilt delen van wie je houdt. Ook met de mensen die er niet meer zijn.
Ik stond daar met een lijf dat al maanden protesteerde, een hoofd dat behoorlijk vol zat en een hart dat ook wat klappen had gehad.
En toch stond ik daar. In India.
Oog in oog met een tijger. En heel even voelde alles precies goed.
Na alle indrukken van de safari vertrokken we richting Kerala, naar mijn schoonouders. Daar verbleven we kort, deden we wat uitstapjes samen en brachten we wat tijd met elkaar door. Daarna was het tijd voor Goa, waar we de rest van onze vakantie zouden doorbrengen.
Gelukkig verdwenen de pijnklachten in mijn handen langzaam weer naar de achtergrond.
Mijn ribben vonden echter dat zij nog wel even de hoofdrol mochten spelen.
Omdraaien in bed deed pijn. Niezen deed pijn. Hoesten deed pijn. Ademen deed zelfs vaak pijn.
Als ik moest niezen probeerde ik mezelf zo klein mogelijk op te vouwen om de schade te beperken.
Spoiler alert: dat hielp nauwelijks.
Ondertussen bleef ook mijn borst een project op zich.
Door de bestralingen heb ik last van oedeem in mijn borst, flank en rug. Daarnaast is mijn borst inmiddels ongeveer gehalveerd door fibrose (littekenvorming).
Het blijft vreemd.
De ene dag kijk ik ernaar en denk ik: tja, het is wat het is.
De andere dag noem ik haar liefkozend mijn verschrompelde sultanarozijn.
Humor blijft soms het beste medicijn.
Gelukkig zijn er ook kleine lichtpuntjes.
Mijn haar groeit weer. En niet zomaar. Ik heb inmiddels een soort zilvergrijze coupe ontwikkeld. Een beetje alsof een zilverrug gorilla en ik dezelfde kapper hebben bezocht.
Nu nog wachten op de krullen.
Mijn wenkbrauwen komen terug alsof ze jarenlang iets hebben in te halen. Mijn wimpers doen ook enthousiast mee.
En iedere keer als ik in de spiegel kijk, herken ik weer een klein beetje meer van mezelf. Dat zijn van die dingen waar ik oprecht blij van word.
Na de vakantie staan er weer genoeg afspraken gepland. De radioloog. De bedrijfsarts. De fysiotherapeut.
Het bekende rijtje.
Ik wil ook graag weer gaan werken.
Ik mis mijn collega’s. Ik mis mijn werk.
Maar eerlijk? Ik vind het ook spannend.
Mijn energie is nog steeds beperkt en iedere dag voelt anders.
Je weet nooit helemaal welk lichaam er ’s morgens uit bed stapt.
Ondertussen loop ik rond met speciale BH’s, een deelprothese en allerlei hulpmiddelen om het oedeem een beetje onder controle te houden.
En ja, er zit inmiddels ongeveer zeven centimeter verschil tussen links en rechts.
Dus zeg ik regelmatig tegen Erik:
“Nou schat, kies maar. Vandaag de grote tiet of de kleine tiet?”
Je moet er toch iets van maken.
En eerlijk? Hij heeft de afgelopen tijd verrassend veel variatie in zijn huwelijk gekregen.
Na alle gekkigheid op een stokje hoop ik natuurlijk dat er nog verbetering komt.
In mijn borst.
In mijn lijf.
In mijn energie.
Maar ook gewoon in hoe ik me voel.
Want ondanks alles blijft er ook heel veel moois over.
Hier in India maakten we namelijk nog iets bijzonders mee.
Holi.
Het beroemde kleurenfestival. Overal kleur. Muziek. Lachende mensen.
Poeder in werkelijk iedere lichaamsopening waarvan je niet wist dat er kleurpoeder in kon komen.
Maar achter al die vrolijkheid zit ook een mooie gedachte.
Holi staat voor het verdrijven van het kwaad en het vieren van het leven.
En misschien was dat precies wat ik nodig had.
Niet omdat alle problemen ineens verdwenen.
Niet omdat mijn lijf opeens besloot normaal te doen.
Maar omdat ik even herinnerd werd aan iets wat ik bijna was vergeten.
Dat er, ondanks alles, nog steeds heel veel te vieren valt.
Voor ons liggen nog een paar dagen Goa.
Nog wat massages.
Nog wat klankschaalsessies.
Nog wat zon.
En hopelijk ook wat extra rust.
Misschien nemen we sommige dingen gewoon mee op reis.
Pijn.
Verdriet.
Teleurstelling.
Maar gelukkig reizen liefde, humor en hoop ook gewoon met ons mee.
En op dit moment blijkt dat precies genoeg.