Het is zo’n ochtend waarop ik vrolijk wakker word. Ik ga naar beneden en word begroet door twee hartendiefjes die weer net zo blij zijn als altijd. Zachte vachtjes, neusjes, oortjes. Heerlijk om even met ze te kroelen.
Daarna op mijn trampoline en vervolgens op mijn trilplaat, om toch nog enige beweging in dit luie lijf te krijgen. Bakje koffie erbij. Kaarsjes aan. Die zijn toch al voor de helft opgebrand, dus laten we ze vandaag overdag maar opmaken. Het is ’s ochtends wel licht, maar ook weer niet zó licht. Een beetje gezelligheid in de herfst mag best.
Gewoon een fijne ochtend.
Nog een paar dagen en dan gaan we op vakantie. Drie weken weg uit deze omgeving. Ik kijk ernaar uit. Even ergens anders zijn, samen weg, andere dingen zien.
Maar dat betekent ook drie weken zonder de kinderen. Hoe vaak ik ook roep dat ik het allemaal beu ben, ik ga ze verschrikkelijk missen. Ja hoor. Daar heb je mij weer.
En dan kijk ik naar de dieren.
Die liggen normaal lekker bij ons op bed. Ik kan ze aaien wanneer ik wil, tegen ze praten, hun koppies vasthouden. Het idee dat ik ze achterlaat en ze drie weken geen knuffels van míj krijgen, maakt me nu al verdrietig. Dan denk ik aan vies worden, aan kou, aan alles wat ik voor ze wil voorkomen. Ook al worden ze goed verzorgd, mijn hoofd weet nog wel het een en ander te verzinnen.
Ik weet hoe het gaat. Zodra ik eenmaal de deur uit ben, komt er ook rust. Dan ben ik blij dat we weg zijn en kan ik genieten. Maar vooraf kan ik mezelf behoorlijk in de weg zitten.
En vervolgens voel ik me daar óók weer rot over. Ik ga een prachtige reis maken. Waarom zit ik dan nu al zo verdrietig te zijn?
Omdat ik heel veel van ze hou. Dat weet ik eigenlijk best. Maar daarmee staat mijn hoofd nog niet uit.
Recht voor mijn neus staan de urnen van mijn moeder en Shiva.
Shiva was het hondje van mijn moeder. Het zusje van Marley. Het laatste wat ik nog levend van mijn moeder bij me had. Ik zei nog tegen haar: jij gaat niet weg. Ik geef jou niet af.
En toen moest ze toch gaan. Veel te vroeg.
Ik hoop dat ze bij mijn moeder is. Dat die twee elkaar weer hebben. Ik hoop überhaupt zo ontzettend dat er hierna iets is. Een plek waar ik iedereen van wie ik hou weer tegenkom. Mensen én dieren.
Maar ik kan daar niet zomaar op vertrouwen. Soms ben ik juist doodsbang dat er niets is. Dat ik ze nooit meer zie. Ik zou zo graag dat vertrouwen hebben, maar ik kan het mezelf niet aanpraten.
Vroeger begreep ik niet waarom mijn moeder zo bleef vasthouden aan het verdriet om haar ouders. Inmiddels begrijp ik dat maar al te goed.
En zo zit ik met mijn koffie ineens bij mijn oma.
Mijn lieve oma. Ik was hoogzwanger toen ik haar voor het laatst zag. Rond haar overlijden werd mijn zoon geboren. De precieze volgorde kan ik me niet meer herinneren. Het was allemaal zo dicht op elkaar.
Omdat ik net bevallen was, werd er voor mij besloten dat het beter was om thuis te blijven. Ik ben niet bij haar uitvaart geweest.
De dood en geboorte liggen dicht bij elkaar, zeiden mensen. Verdriet en vreugde.
Ja. Dat zal allemaal wel. Maar ik heb geen afscheid van mijn oma genomen.
Ik merk hoeveel pijn dat me nog doet. Hoe ver ik dat heb weggestopt. Waarom ben ik niet gegaan? Waarom heb ik die keuze niet zelf kunnen maken? En waarom blijf ik mezelf dat verwijten, terwijl ik op dat moment ook net een kind had gekregen?
Ik zie haar handen nog precies voor me. En die twee kleine ronde borsteltjes die je in elkaar kon steken.
‘Kom lekker op het krukje zitten, meid. Dan kam ik je haar honderd keer, daar worden je haren mooier van.’
Ik voel bijna weer hoe ze mijn haar borstelt.
Ze maakte griesmeelpap voor me. Die aten we samen op het balkonnetje van het huisje in Hoek van Holland. We maakten rozenparfum. We tekenden. Ik was zo graag bij haar en mijn opa.
Mijn opaatje heeft daarna nog een aantal jaren alleen geleefd. Hij kreeg prostaatkanker, met uitzaaiingen naar zijn botten. Hij was er heel nuchter onder. Als ik dood ben"Stop maar een worst in mijn reet, dan slepen de honden me wel weg", zei hij.
Die zwarte humor heb ik dus niet van een vreemde.
Uiteindelijk ging het niet meer. Hij koos voor euthanasie. Ik zat naast hem op bed toen hij zijn laatste adem uitblies. In de aderen op zijn hand zag ik de letter M.
Maria. Mijn oma.
Dat beeld ben ik nooit vergeten. Ik mis hem ook verschrikkelijk.
Als ik opsta en door de kamer loop, blijf ik even naar buiten kijken. In gedachten zie ik mijn moeder daar weer aankomen op haar scootmobiel. Hoi mam. Even gauw de deur voor haar opendoen.
En meteen zie ik ook weer hoe ze met dat ding achteruitreed en zowat in de bosjes belandde. Het was soms werkelijk komisch om haar te zien rijden. Ze heeft er meerdere ongelukken mee veroorzaakt. Mijn moeder op die scootmobiel, daar kon je af en toe beter even voor aan de kant gaan.
Ik moet er nog steeds om lachen.
En dan ruik ik ineens die geur.
De geur uit haar slaapkamer, toen ze daar opgebaard lag. In haar eigen huisje.
De kaarsjes staan aan, maar normaal ruik ik daarbij niet ineens háár kamer. Nu ben ik weer daar.
Ben je er dan toch een keer, mam?
Vroeger had ik meer met het spirituele. Daar heb ik veel van losgelaten, omdat ik het vertrouwen erin kwijtraakte. Toch sta ik daar nu met die vraag. Ik zou zo graag willen weten of zij het is.
’s Nachts droom ik mezelf ondertussen kapot. Ik zeg weleens dat ik een dubbel leven heb. Overdag het ene, ’s nachts nog een heel ander leven erbij. De gekste dingen komen voorbij. Voor mijn gevoel herbeleef ik van alles en ben ik zelfs in mijn slaap nog dingen aan het oplossen.
Maar mijn moeder komt nooit.
Waarom nou juist jij niet?
Ik weet het niet. Net zoals ik niet weet of die geur iets betekende, of Shiva bij haar is, of ik mijn oma en opa ooit weer terugzie.
Ik weet alleen dat ik vrolijk wakker werd. Dat ik mijn honden heb geknuffeld, op die trampoline heb gestaan en koffie heb gezet.
En dat ik nu hier zit en mijn moeder mis.
Ik zou haar zo graag over die vakantie vertellen.